1. Je zet door ondanks moeilijkheden
2. Je erkent openlijk de prestaties van anderen
3. Je volgt de geldende regels, ook al ben je niet overtuigd van het nut ervan
4. Je komt je afspraken na
5. Je aanvaardt gemakkelijk gezag
6. Je reageert kalm als er zich een ernstig probleem voordoet
7. Je houdt rekening met de gevolgen van je daden voor anderen en het bedrijf
8. Als het werk het toelaat, bepaal je zelf je werkwijze
9. Je leert uit ervaringen van jezelf en die van anderen
10. Je doet suggesties om beter om te springen met het beschikbare materiaal
11. Je werkt taken grondig en precies af
12. Je vermijdt risico's
13. Je bent in staat om gesprekken te volgen, ook al interesseren ze je niet of situeren ze zich buiten je vakgebied
14. Het lukt je om een schriftelijke mededeling of opdracht te lezen en te begrijpen
15. Je kiest de meest geschikte werkwijze om het gevraagde resultaat te bereiken
16. Je helpt anderen om hun doelen te bereiken
17. Je behandelt iedereen op gelijke manier
18. Je houdt jezelf onder controle
19. Je werkt taken in hun geheel af zonder inmenging van anderen
20. Je staat achter je collega's zonder het belang van de organisatie te schaden
21. Je controleert nauwgezet je werk op fouten
22. Je houdt rekening met de belangen van anderen
23. Je kan vaktermen uit jouw branche duidelijk uitleggen
24. Je vraagt suggesties en opmerkingen aan anderen over je eigen manier van werken
25. Je draagt spontaan de nodige individuele beschermingsmiddelen zoals werkkledij, veiligheidsschoenen of een veiligheidsbril.
26. Je kan de nodige energie opbrengen om langdurige opdrachten af te werken
27. Je denkt na of de gangbare volgorde van je taken wel logisch is
28. Je blijft kalm onder tijdsdruk
29. Je bent bereid om een extra taak op jou te nemen, ook al betekent dat overwerk
30. Je voert taken, die aansluiten bij je vakbekwaamheid, uit zonder uitleg of hulp te moeten vragen
31. Je teksten zijn logisch opgebouwd
32. Je houdt je aan de regels in verband met de algemene veiligheid
33. Je blijft gestructureerd werken, ook al doen verschillende mensen tegelijk een beroep op je
34. Als je je verplaatst met een auto die GPS heeft, dan gebruik je het GPS-systeem
35. Je houdt je aan je beloftes en aan je verplichtingen tegenover anderen
36. Je zorgt ervoor dat alles gebeurt zoals het moet
37. Je bent pas tevreden als je taak afgewerkt is
38. Je gaat op zoek naar informatie die van toepassing is in je werksituatie
39. Je leert uit je fouten en pakt het de volgende keer anders aan
40. Als anderen kritiek geven op je bedrijf, probeer je deze kritiek te weerleggen
41. Je houdt rekening met de lichaamstaal (= de gebaren, gezichtsuitdrukking en lichaamshouding) van je gesprekspartners
42. Je bergt documenten zo op dat je ze gemakkelijk kunt terugvinden
43. Afhankelijk van de situatie en de persoon, pas je je manier van doen aan
44. Je begrijpt ingewikkelde teksten ook al gaan die over onderwerpen buiten je eigen interesse- of vakgebied
45. Je spreekt de waarheid
46. Als je het vooropgestelde doel niet bereikt, probeer je er iets aan te doen
47. Je weet zelf wanneer je hulp nodig hebt bij een taak en vraagt dan ook spontaan hulp
48. Je helpt collega's een oplossing te vinden als zij onderling conflicten of problemen hebben
49. Je gaat direct aan de slag en verliest geen tijd met rondhangen
50. Gelden er voor een bepaald werk veiligheidsinstructies, dan lees je die eerst voor je met het werk start
51. Als je een presentatie maakt, doe je dat met een hiertoe bestemd computerprogramma zoals Microsoft PowerPoint
52. Bij storingen in de productie of dienstverlening grijp je meteen en naar eigen goeddunken in binnen de grenzen van je verantwoordelijkheid
53. Je werkt taken af zonder dat je chef in de buurt is
54. Je legt gebruikt materiaal netjes terug op zijn vaste plaats
55. Je staat achter beslissingen die voor de organisatie nuttig zijn, zelfs als die minder populair zijn
56. Je respecteert de kwaliteitseisen en houdt je er ook aan
57. Je ontwikkelt netwerken en methoden om aan informatie te komen
58. Je omgeving weet welke waarden je hanteert
59. Je overlegt met je collega's over je eigen taken en die van anderen
60. Je combineert verschillende taken zodat je meer kan doen binnen dezelfde tijd
61. Je blijft verder werken ook al heb je minder belangstelling voor de taak die je aan het doen bent
62. Je gebruikt gereedschap en instrumenten volgens de voorschriften van de constructeur
63. Je kan een document (zoals een vragenlijst of aanvraagformulier) in het Nederlands invullen
64. Je stelt geen dingen uit maar begint er direct aan
65. Je gaat vlot van de ene opdracht naar de andere over
66. Je geeft je eigen fouten toe
67. Je komt op tijd op een afspraak
68. Als je een officieel formulier invult, geef je correcte informatie door
69. Je bewaart je documenten in mappen op je pc en maakt nieuwe mappen aan (bestanden beheren)
70. Als een collega een opdracht uitlegt, begrijp je wat je moet doen
71. Je schrijft correcte berichten en brieven
72. Je verwittigt als je niet aanwezig kan zijn
73. Je leeft de afspraken na die in groep zijn gemaakt
74. Je brengt begrip op voor een afwijkend standpunt
75. Waar anderen het opgeven, ga jij door
76. Je beperkt gevaarlijke situaties voor jezelf en anderen
77. Anderen weten wat ze van jou kunnen verwachten
78. Je voert je werk uit zonder de steun van anderen
79. Je werkt je taken op tijd af
80. Je praat met buitenstaanders op een positieve manier over je bedrijf
81. Om een tekst te schrijven gebruik je een tekstverwerker (bijvoorbeeld Microsoft Word).
82. Je blijft goed functioneren onder snel veranderende of belastende omstandigheden
83. Je spreekt op je werk duidelijk verstaanbaar algemeen Nederlands (geen dialect)
84. Je weet waar je informatie of hulp kan krijgen bij het leren
85. De anderen kunnen er op rekenen dat je werk af is
86. Je spreekt positief over zaken die je in groep hebt gerealiseerd
87. Je kan een computergestuurde machine instellen
88. Je beseft dat je inbreng nut heeft binnen de organisatie
89. Je aanvaardt de normen en waarden van de organisatie
90. Je hebt er geen probleem mee om je huidige taak te onderbreken als iets anders dringender is
91. Je schrijft beknopte, heldere en relevante verslagen (bijvoorbeeld van een vergadering)
92. Als je met buitenstaanders over bedrijfsbeslissingen praat, verdedig je deze beslissingen
93. Je begint meteen aan een nieuwe taak zonder te wachten op instructies van je chefs
94. Je houdt vast aan afspraken over het te bereiken resultaat, ondanks weerstand
95. Je komt op voor je eigen aandeel in taken
96. Als iemand veiligheidsregels uitlegt, begrijp je die
97. Je respecteert deadlines
98. Je maakt een grote taak hanteerbaar door ze in kleine deeltaken op te delen
99. Je werkt foutloos onder tijdsdruk
100. Je verandert een vooraf bepaalde aanpak als het beoogde resultaat niet bereikt wordt
101. Je kan je eigen mening verwoorden
102. Je maakt collega's attent op geldende afspraken
103. Je spoort anderen aan om voorstellen te doen
104. Je draagt zorg voor je werkmateriaal
105. Je maakt geen misbruik van macht, voorkennis of persoonlijke informatie
106. Je hebt weinig moeite om nieuwe en vrij moeilijke zaken te leren
107. Je laat je werkplek na je werkzaamheden in veilige omstandigheden achter
108. Je bijt je vast in een probleem
109. Je gaat zorgvuldig om met het vertrouwen dat in je wordt gesteld
110. Je zoekt naar achtergronden of oorzaken van een probleem of een succes
111. Je zoekt zelf naar een oplossing als er zich een probleem voordoet
112. Je houdt rekening met de visie van je chef en het hoger management
113. Je kan met diverse toestellen werken zoals een fax, printer en kopieermachine
114. Je blijft rustig ook als je geen meester bent over de situatie
115. Je praat vlot mee over zaken die met het dagelijkse leven te maken hebben
116. Je voert spontaan een taak uit die strikt genomen niet voor jou is
117. Je controleert spontaan je eigen werk
118. Als er problemen zijn bij de werkuitvoering, los je deze zelf op
119. Je leeft de veiligheidsinstructies na
120. Je hanteert een vlot leestempo
121. Je slaagt er vlot in om je taak binnen de voorziene tijd af te werken
122. Als je een taak doet, werk je ze tot in de puntjes af
123. Bij toenemende werkdruk blijf je vindingrijk
124. Om informatie op te zoeken gebruik je onder andere internet
125. Je legt graag iets uit aan een collega
126. Je voegt je naar het beleid, en naar de regels en voorschriften van de organisatie
127. Je meldt uit eigen beweging dat je een fout hebt gemaakt
128. Onder tijdsdruk verander je je aanpak
129. Tijdens je werk neem je zelf initiatief zonder eerst goedkeuring te vragen
130. Je hebt de basisvaardigheden om met een pc te werken onder de knie: zo weet je bijvoorbeeld hoe je je toetsenbord moet gebruiken, hoe je met de muis werkt en hoe je een pogramma kiest.
131. Je werkt verder aan een opdracht totdat je het gewenste resultaat bereikt hebt
132. Je houdt je stipt aan de te volgen werkwijzen
133. Komen beslissingen niet overeen met je visie, dan doe je toch de moeite om deze beslissingen te verdedigen
134. Je past je taalgebruik aan de toehoorders aan: je praat anders tegen je baas dan bijvoorbeeld tegen een klant of een bezoeker
135. Je werkt geconcentreerd
136. Je gaat na of de werkomstandigheden tijdens je werk veilig blijven
137. Je voelt je verbonden met je organisatie en je team en handelt ernaar
138. Je stelt het gezamenlijk belang boven je eigen belang
139. Als je onverwachte taken moet doen, vang je die op zonder dat je totale planning in de knel komt
140. Je schrijft zonder fouten korte teksten in het Nederlands
141. Je houdt je aan de bedrijfsregels voor het gebruik van materiaal
142. Bij toenemende werkdruk blijf je efficiënt
143. Je werkt actief mee aan kennisoverdracht naar nieuwe collega's
144. Opmerkingen en suggesties van anderen beschouw je als leerrijke informatie
145. Je draagt de gevolgen van je eigen handelen
146. Je zorgt ervoor dat je weet hoe je een taak correct moet uitvoeren
147. Ondanks kritiek, hou je vast aan afspraken over het te bereiken resultaat
148. Als iemand je gegevens vraagt, lever je die af op een overzichtelijke manier
149. Je kan met e-mail werken
150. Je probeert de werkelijkheid objectief weer te geven
151. Je werkt aan een taak tot ze helemaal af is, ook al kost ze meer tijd dan je dacht
152. Je bent bereid kritiek te geven aan collega's en je kan kritiek van hen aanvaarden
153. Je kan een eenvoudige uiteenzetting geven over vertrouwde onderwerpen uit je leef -en werkomgeving
154. Als er zich problemen voordoen, verander je je eigen gedrag zodat je je vooropgesteld doel bereikt
155. Je staat achter de doelstellingen van de organisatie en je laat dit ook merken
156. Je probeert anderen zo weinig mogelijk te storen
157. Zijn er bepaalde zones afgebakend omdat je er niet mag werken, dan werk je ook niet in deze zones
158. Je collega's kunnen zonder moeite je werk overnemen omdat je zorgt dat ze het nodige kunnen vinden
159. Je begrijpt technische instructies van apparaten zoals een tv-toestel en een cd-speler
160. Bij onduidelijkheid over wat wel en niet kan, zoek je bevestiging bij je verantwoordelijke
161. Je doet meer dan gevraagd wordt om een goed resultaat te behalen
162. Naargelang van de situatie, pas je je benadering aan om hetzelfde resultaat te bereiken
163. Je staat volledig achter de organisatie en de daar geldende regels en afspraken
164. Je relativeert hindernissen en tegenslagen
165. Je zorgt dat verouderd materiaal nagezien wordt om schade en ongevallen te voorkomen
166. Je gebruikt de hulp van anderen om bij te leren
167. Je past je schrijfstijl naargelang van de doelgroep waarvoor je schrijft, bijvoorbeeld: jongeren, arbeiders, managers ...
168. Je gaat op een logische en verstandelijke manier om met emotionele spanningen
169. Als je wat bijleert, pas je het toe in nieuwe situaties
170. Je kan met een rekenblad (bijvoorbeeld Microsoft Excel) werken