Competentietest voor 45-plussers
 

Deze test bevat 170 vragen en gaat na hoe goed je scoort op een aantal kwaliteiten die werkgevers belangrijk vinden om te beslissen of ze iemand gaan aanwerven of in dienst houden.

Duid telkens het best passende antwoord aan. Je bent verplicht om alle vragen in te vullen! Anders krijg je geen resultaat. Het invullen van de test neemt een 20-tal minuten in beslag.

Verwijzen bepaalde uitspraken naar situaties waar je geen ervaring mee hebt? Geef dan aan hoe je denkt dat je zou reageren mocht je wél in deze situatie zitten.

Dit is een zelfbeoordelingsinstrument. Het gaat erover hoe jij jezelf inschat. Er zijn geen juiste of foute antwoorden. Elk antwoord is goed zolang het je eigen mening weergeeft. Wees eerlijk want anders is het resultaat waardeloos. Tip: denkt niet te lang na, vertrouw op je eerste indruk.

1 = altijd
2 = bijna altijd
3 = vaak
4 = soms
5 = zelden
6 = nooit

 
Stellingen   1     2     3     4     5     6  
 
1. Je zet door ondanks moeilijkheden 
2. Je erkent openlijk de prestaties van anderen 
3. Je volgt de geldende regels, ook al ben je niet overtuigd van het nut ervan 
4. Je komt je afspraken na 
5. Je aanvaardt gemakkelijk gezag 
6. Je reageert kalm als er zich een ernstig probleem voordoet 
7. Je houdt rekening met de gevolgen van je daden voor anderen en het bedrijf 
8. Als het werk het toelaat, bepaal je zelf je werkwijze 
9. Je leert uit ervaringen van jezelf en die van anderen 
10. Je doet suggesties om beter om te springen met het beschikbare materiaal 
11. Je werkt taken grondig en precies af 
12. Je vermijdt risico's 
13. Je bent in staat om gesprekken te volgen, ook al interesseren ze je niet of situeren ze zich buiten je vakgebied 
14. Het lukt je om een schriftelijke mededeling of opdracht te lezen en te begrijpen 
15. Je kiest de meest geschikte werkwijze om het gevraagde resultaat te bereiken 
16. Je helpt anderen om hun doelen te bereiken 
17. Je behandelt iedereen op gelijke manier 
18. Je houdt jezelf onder controle 
19. Je werkt taken in hun geheel af zonder inmenging van anderen 
20. Je staat achter je collega's zonder het belang van de organisatie te schaden 
21. Je controleert nauwgezet je werk op fouten 
22. Je houdt rekening met de belangen van anderen 
23. Je kan vaktermen uit jouw branche duidelijk uitleggen 
24. Je vraagt suggesties en opmerkingen aan anderen over je eigen manier van werken 
25. Je draagt spontaan de nodige individuele beschermingsmiddelen zoals werkkledij, veiligheidsschoenen of een veiligheidsbril. 
26. Je kan de nodige energie opbrengen om langdurige opdrachten af te werken 
27. Je denkt na of de gangbare volgorde van je taken wel logisch is 
28. Je blijft kalm onder tijdsdruk 
29. Je bent bereid om een extra taak op jou te nemen, ook al betekent dat overwerk 
30. Je voert taken, die aansluiten bij je vakbekwaamheid, uit zonder uitleg of hulp te moeten vragen 
31. Je teksten zijn logisch opgebouwd 
32. Je houdt je aan de regels in verband met de algemene veiligheid 
33. Je blijft gestructureerd werken, ook al doen verschillende mensen tegelijk een beroep op je 
34. Als je je verplaatst met een auto die GPS heeft, dan gebruik je het GPS-systeem 
35. Je houdt je aan je beloftes en aan je verplichtingen tegenover anderen 
36. Je zorgt ervoor dat alles gebeurt zoals het moet 
37. Je bent pas tevreden als je taak afgewerkt is 
38. Je gaat op zoek naar informatie die van toepassing is in je werksituatie 
39. Je leert uit je fouten en pakt het de volgende keer anders aan 
40. Als anderen kritiek geven op je bedrijf, probeer je deze kritiek te weerleggen 
41. Je houdt rekening met de lichaamstaal (= de gebaren, gezichtsuitdrukking en lichaamshouding) van je gesprekspartners 
42. Je bergt documenten zo op dat je ze gemakkelijk kunt terugvinden 
43. Afhankelijk van de situatie en de persoon, pas je je manier van doen aan 
44. Je begrijpt ingewikkelde teksten ook al gaan die over onderwerpen buiten je eigen interesse- of vakgebied 
45. Je spreekt de waarheid 
46. Als je het vooropgestelde doel niet bereikt, probeer je er iets aan te doen 
47. Je weet zelf wanneer je hulp nodig hebt bij een taak en vraagt dan ook spontaan hulp 
48. Je helpt collega's een oplossing te vinden als zij onderling conflicten of problemen hebben 
49. Je gaat direct aan de slag en verliest geen tijd met rondhangen 
50. Gelden er voor een bepaald werk veiligheidsinstructies, dan lees je die eerst voor je met het werk start 
51. Als je een presentatie maakt, doe je dat met een hiertoe bestemd computerprogramma zoals Microsoft PowerPoint 
52. Bij storingen in de productie of dienstverlening grijp je meteen en naar eigen goeddunken in binnen de grenzen van je verantwoordelijkheid 
53. Je werkt taken af zonder dat je chef in de buurt is 
54. Je legt gebruikt materiaal netjes terug op zijn vaste plaats 
55. Je staat achter beslissingen die voor de organisatie nuttig zijn, zelfs als die minder populair zijn 
56. Je respecteert de kwaliteitseisen en houdt je er ook aan 
57. Je ontwikkelt netwerken en methoden om aan informatie te komen 
58. Je omgeving weet welke waarden je hanteert 
59. Je overlegt met je collega's over je eigen taken en die van anderen 
60. Je combineert verschillende taken zodat je meer kan doen binnen dezelfde tijd 
61. Je blijft verder werken ook al heb je minder belangstelling voor de taak die je aan het doen bent 
62. Je gebruikt gereedschap en instrumenten volgens de voorschriften van de constructeur 
63. Je kan een document (zoals een vragenlijst of aanvraagformulier) in het Nederlands invullen 
64. Je stelt geen dingen uit maar begint er direct aan 
65. Je gaat vlot van de ene opdracht naar de andere over 
66. Je geeft je eigen fouten toe 
67. Je komt op tijd op een afspraak 
68. Als je een officieel formulier invult, geef je correcte informatie door 
69. Je bewaart je documenten in mappen op je pc en maakt nieuwe mappen aan (bestanden beheren) 
70. Als een collega een opdracht uitlegt, begrijp je wat je moet doen 
71. Je schrijft correcte berichten en brieven 
72. Je verwittigt als je niet aanwezig kan zijn 
73. Je leeft de afspraken na die in groep zijn gemaakt 
74. Je brengt begrip op voor een afwijkend standpunt 
75. Waar anderen het opgeven, ga jij door 
76. Je beperkt gevaarlijke situaties voor jezelf en anderen 
77. Anderen weten wat ze van jou kunnen verwachten 
78. Je voert je werk uit zonder de steun van anderen 
79. Je werkt je taken op tijd af 
80. Je praat met buitenstaanders op een positieve manier over je bedrijf 
81. Om een tekst te schrijven gebruik je een tekstverwerker (bijvoorbeeld Microsoft Word). 
82. Je blijft goed functioneren onder snel veranderende of belastende omstandigheden 
83. Je spreekt op je werk duidelijk verstaanbaar algemeen Nederlands (geen dialect) 
84. Je weet waar je informatie of hulp kan krijgen bij het leren 
85. De anderen kunnen er op rekenen dat je werk af is 
86. Je spreekt positief over zaken die je in groep hebt gerealiseerd 
87. Je kan een computergestuurde machine instellen 
88. Je beseft dat je inbreng nut heeft binnen de organisatie 
89. Je aanvaardt de normen en waarden van de organisatie 
90. Je hebt er geen probleem mee om je huidige taak te onderbreken als iets anders dringender is 
91. Je schrijft beknopte, heldere en relevante verslagen (bijvoorbeeld van een vergadering) 
92. Als je met buitenstaanders over bedrijfsbeslissingen praat, verdedig je deze beslissingen 
93. Je begint meteen aan een nieuwe taak zonder te wachten op instructies van je chefs 
94. Je houdt vast aan afspraken over het te bereiken resultaat, ondanks weerstand 
95. Je komt op voor je eigen aandeel in taken 
96. Als iemand veiligheidsregels uitlegt, begrijp je die 
97. Je respecteert deadlines 
98. Je maakt een grote taak hanteerbaar door ze in kleine deeltaken op te delen 
99. Je werkt foutloos onder tijdsdruk 
100. Je verandert een vooraf bepaalde aanpak als het beoogde resultaat niet bereikt wordt 
101. Je kan je eigen mening verwoorden 
102. Je maakt collega's attent op geldende afspraken 
103. Je spoort anderen aan om voorstellen te doen 
104. Je draagt zorg voor je werkmateriaal 
105. Je maakt geen misbruik van macht, voorkennis of persoonlijke informatie 
106. Je hebt weinig moeite om nieuwe en vrij moeilijke zaken te leren 
107. Je laat je werkplek na je werkzaamheden in veilige omstandigheden achter 
108. Je bijt je vast in een probleem 
109. Je gaat zorgvuldig om met het vertrouwen dat in je wordt gesteld 
110. Je zoekt naar achtergronden of oorzaken van een probleem of een succes 
111. Je zoekt zelf naar een oplossing als er zich een probleem voordoet 
112. Je houdt rekening met de visie van je chef en het hoger management 
113. Je kan met diverse toestellen werken zoals een fax, printer en kopieermachine 
114. Je blijft rustig ook als je geen meester bent over de situatie 
115. Je praat vlot mee over zaken die met het dagelijkse leven te maken hebben 
116. Je voert spontaan een taak uit die strikt genomen niet voor jou is 
117. Je controleert spontaan je eigen werk 
118. Als er problemen zijn bij de werkuitvoering, los je deze zelf op 
119. Je leeft de veiligheidsinstructies na 
120. Je hanteert een vlot leestempo 
121. Je slaagt er vlot in om je taak binnen de voorziene tijd af te werken 
122. Als je een taak doet, werk je ze tot in de puntjes af 
123. Bij toenemende werkdruk blijf je vindingrijk 
124. Om informatie op te zoeken gebruik je onder andere internet 
125. Je legt graag iets uit aan een collega 
126. Je voegt je naar het beleid, en naar de regels en voorschriften van de organisatie 
127. Je meldt uit eigen beweging dat je een fout hebt gemaakt 
128. Onder tijdsdruk verander je je aanpak 
129. Tijdens je werk neem je zelf initiatief zonder eerst goedkeuring te vragen 
130. Je hebt de basisvaardigheden om met een pc te werken onder de knie: zo weet je bijvoorbeeld hoe je je toetsenbord moet gebruiken, hoe je met de muis werkt en hoe je een pogramma kiest. 
131. Je werkt verder aan een opdracht totdat je het gewenste resultaat bereikt hebt 
132. Je houdt je stipt aan de te volgen werkwijzen 
133. Komen beslissingen niet overeen met je visie, dan doe je toch de moeite om deze beslissingen te verdedigen 
134. Je past je taalgebruik aan de toehoorders aan: je praat anders tegen je baas dan bijvoorbeeld tegen een klant of een bezoeker 
135. Je werkt geconcentreerd 
136. Je gaat na of de werkomstandigheden tijdens je werk veilig blijven 
137. Je voelt je verbonden met je organisatie en je team en handelt ernaar 
138. Je stelt het gezamenlijk belang boven je eigen belang 
139. Als je onverwachte taken moet doen, vang je die op zonder dat je totale planning in de knel komt 
140. Je schrijft zonder fouten korte teksten in het Nederlands 
141. Je houdt je aan de bedrijfsregels voor het gebruik van materiaal 
142. Bij toenemende werkdruk blijf je efficiënt 
143. Je werkt actief mee aan kennisoverdracht naar nieuwe collega's 
144. Opmerkingen en suggesties van anderen beschouw je als leerrijke informatie 
145. Je draagt de gevolgen van je eigen handelen 
146. Je zorgt ervoor dat je weet hoe je een taak correct moet uitvoeren 
147. Ondanks kritiek, hou je vast aan afspraken over het te bereiken resultaat 
148. Als iemand je gegevens vraagt, lever je die af op een overzichtelijke manier 
149. Je kan met e-mail werken 
150. Je probeert de werkelijkheid objectief weer te geven 
151. Je werkt aan een taak tot ze helemaal af is, ook al kost ze meer tijd dan je dacht 
152. Je bent bereid kritiek te geven aan collega's en je kan kritiek van hen aanvaarden 
153. Je kan een eenvoudige uiteenzetting geven over vertrouwde onderwerpen uit je leef -en werkomgeving 
154. Als er zich problemen voordoen, verander je je eigen gedrag zodat je je vooropgesteld doel bereikt 
155. Je staat achter de doelstellingen van de organisatie en je laat dit ook merken 
156. Je probeert anderen zo weinig mogelijk te storen 
157. Zijn er bepaalde zones afgebakend omdat je er niet mag werken, dan werk je ook niet in deze zones 
158. Je collega's kunnen zonder moeite je werk overnemen omdat je zorgt dat ze het nodige kunnen vinden 
159. Je begrijpt technische instructies van apparaten zoals een tv-toestel en een cd-speler 
160. Bij onduidelijkheid over wat wel en niet kan, zoek je bevestiging bij je verantwoordelijke 
161. Je doet meer dan gevraagd wordt om een goed resultaat te behalen 
162. Naargelang van de situatie, pas je je benadering aan om hetzelfde resultaat te bereiken 
163. Je staat volledig achter de organisatie en de daar geldende regels en afspraken 
164. Je relativeert hindernissen en tegenslagen 
165. Je zorgt dat verouderd materiaal nagezien wordt om schade en ongevallen te voorkomen 
166. Je gebruikt de hulp van anderen om bij te leren 
167. Je past je schrijfstijl naargelang van de doelgroep waarvoor je schrijft, bijvoorbeeld: jongeren, arbeiders, managers ... 
168. Je gaat op een logische en verstandelijke manier om met emotionele spanningen 
169. Als je wat bijleert, pas je het toe in nieuwe situaties 
170. Je kan met een rekenblad (bijvoorbeeld Microsoft Excel) werken